Zuid-Amerika

terug naar 'Zuid-Amerika'
terug naar 'Reportages'

Georgetown - Lethem
Een nieuwe weg door het regenwoud

Onze rondreis door Zuid-Amerika begint in Paramaribo en van daaruit willen we naar Brazilië. Dat is moeilijk, dat weten we van tevoren. Je kunt niet rechtstreeks van Suriname naar Brazilië, althans niet over land. Je moet links- of rechtsom, via (voormalig) Brits of Frans Guyana. Maar ook dat lijkt niet eenvoudig. Op mijn nieuwe kaart van (Brits) Guyana staat helemaal geen weg in het grensgebied. Toch zou juist daar een doortocht mogelijk moeten zijn. In het South American Handbook staat een zinnetje over een nieuwe weg van de hoofdplaats Georgetown aan de kust naar de grensplaats Lethem in het zuidwesten. Op het kaartje in het Handbook staat een groot deel van de weg nog aangegeven als ‘track’, een ander woord voor modderpad. Er zouden alleen trucks rijden, waarin je tegen betaling kunt meerijden. Het is het begin van de regentijd. Toch wagen we – reisgenoot Piet en ik - het erop. Een verslag van een avontuurlijke tocht.

Tekst: Helma Hellinga

Zoeken naar een truck
De nieuwe weg blijkt inderdaad te bestaan en begaanbaar per truck. In Georgetown bel ik op aanraden van onze pensionhoudster het Ministerie van Transport. Daar krijg ik wat telefoonnummers. We kunnen dezelfde avond nog vertrekken en zullen zelfs opgehaald worden door ene Chris, vriend van ‘onze’ truckchauffeur. Hij zal ons in zijn personenauto naar het startpunt buiten de stad brengen, ergens langs de weg naar Linden. De reis van 800 kilometer zal ongeveer anderhalve dag duren. We spreken een bedrag af van ongeveer veertig gulden per persoon all in. In de auto zegt Chris, ook truckchauffeur, na een half uur tussen neus en lippen door dat we hem nog wel 25 gulden voor het ophalen moeten betalen. We accepteren met enig gemor deze afpersing. Wat moeten we anders? Het adres van de truckfirma hebben we niet. Mij bekruipt een wat onbehaaglijk gevoel. De truckchauffeur kan immers ook midden in het oerwoud stoppen en ons meer geld vragen.
Chris rijdt een ommetje door de buurt waar hij woont, een arme buurt. Hij groet links en rechts en laveert om de cricketspelende kinderen en de kuilen in de onverharde weg heen. Dit alles doet hij om ons trots zijn truck te laten zien: een soort kleine zwartgeschilderde legertruck. Op de deur prijkt een swastika. Het is nog licht als we afgezet worden langs de drukke uitvalsweg. We staan een beetje belachelijk als twee blanke toeristen tussen het ruige manvolk. Niemand komt naar ons toe, een vraag van een van ons wordt nauwelijks beantwoord. We wachten een paar uur, terwijl er allerlei onduidelijke dingen om ons heen gebeuren. Trucks worden ingeladen en weer half uitgeladen, ontbrekende wielen worden gemonteerd en weer gedemonteerd. Ondertussen komen er konvooien trucks voorbijrijden, allemaal voorzien van enorme wielen met diepe profielbanden. Kleine jongens doen het zware werk. Het wordt ons langzamerhand duidelijk in welke truck ze ons gedacht hadden: ook zo’n soort kleine legertruck als die van Chris. Er worden eerst planken ingeladen, daarna buizen en golfplaat. Hoe hadden ze ons hiertussen gedacht? Dan worden er stukken schuimplastic aangesleept. Die gaan bovenop de lading en daarop moeten wij gaan zitten. Wij blijken niet de enige passagiers. Uit de groep mannen en jongens die om de truck heen gehangen hebben en soms hielpen met inladen maakt zich een aantal los en klimt in de truck. We moeten met z´n zevenen plus bagage op het schuimplastic. Er gaat een huif over het geheel, waarbij gelukkig de achterkant open blijft. Het is al lang donker geworden als we reisklaar zijn. We zullen de tocht met twee trucks rijden. De andere truck is een enorme bak, zonder huif. Ik zie geen passagiers achterin. Als wij al een plaats hebben gezocht op het schuimplastic, duikt er een klein jongetje op uit het donker, dat namens de chauffeur om het geld vraagt. Moeten we dat nu zomaar aan hem geven of moeten we meelopen? Ik geef het geld in de wetenschap dat aan het eind van de rit de chauffeur kan ontkennen iets ontvangen te hebben van een kleine jongen. Niet helemaal gerust rijden we om een uur of elf weg, liggend op de lading met uitzicht op de sterren en de maan die hier tot onze verbazing ook op z´n rug ligt.

Stuck in the mud
We worden wakker in de nevelige ochtendschemering. De truck staat stil langs de kant van de weg, die als een enorme tennisbaan achter ons ligt: rood, breed en glad. Zonder dat er een woord gewisseld is tussen chauffeurs en passagiers wordt de motor gestart. Al snel wordt de weg smaller en hobbeliger. De grote vrachtwagen kan daar niet tegen. De eerste pech dient zich dan ook al snel aan. Twee kleine jongetjes op blote voeten en een met olie besmeurde broek verdwijnen onder de motorkap. Ze repareren de boel. Maar niet voor lang. Regelmatig staan we stil in de toenemende hitte. Ik dacht dat het oerwoud veel meer bescherming zou bieden tegen de hete zon. Maar de bomen zijn lang niet overal erg hoog en met de zon recht boven de aarde wordt de weg een zinderende streep door het omringende ondoordringbare woud. Als we rijden waait het rode stof door de open achterkant naar binnen en dringt tot diep in neus en oren door. Iedereen heeft iets om z’n hoofd gebonden. De jongens staan achter op de lading om wat wind te vangen (dat durven wij niet, de vrachtwagen heeft soms een enorme vaart). Zo komen we na een nacht en een dag tot op een derde van het traject.
We zijn de steile Mabura Hill zonder problemen overgekomen en rijden een gebied in, waar de weg bestaat uit een spoor door rul, spierwit zand met enorme kuilen die vol zijn gelopen met regenwater. Onze truck, die compact is en niet te zwaar, kan deze obstakels wel aan. De grote vrachtwagen niet. Deze blijft op een punt waar de weg de gedaante van een rivier heeft aangenomen, onwrikbaar in een diepe kuil steken. Geen probleem, die trekken we er wel uit, wordt er gezegd. Onze truck rijdt achteruit, weer het water in. De wagens worden aan elkaar vastgemaakt, waarna onze chauffeur flink gas geeft. Dat had hij niet moeten doen. Het is te veel voor onze truck. Hij wil niet meer. De koppelingsplaten blijken te zijn gebroken. Nu staan er dus twee vrachtwagens tot bijna de bovenrand van hun enorme wielen in het water. De gezichten staan nu echt serieus en er wordt gesproken over 'real badluck'. Er zijn geen reserveplaten meegenomen. Waarom niet? Wel, dit was nog nooit gebeurd. Daar staan we dan. Het begint al een beetje te schemeren. De chauffeurs vertrekken naar een naburige nederzetting, waarschijnlijk om te proberen daar vervangende onderdelen te krijgen. We weten het niet precies, omdat de communicatie met deze mensen niet zo vlot: ze spreken nauwelijks Engels en onder elkaar alleen inlands-Engels. De medepassagiers vertrekken naar een enkele kilometers verderop gelegen hut waar ze wat te drinken zouden kunnen halen. Ze vragen of we meegaan , maar we moeten nog even onze slaapplaats reorganiseren. We hangen ons muskietennet op, een absurd gezicht die spierwitte, splinternieuwe sluier in de gore, door water omgeven truck.
Pas dan dringt het tot ons door dat we helemaal alleen zijn . Iedereen, inclusief de monteur-jongetjes, die we even tevoren nog gezien hebben, is verdwenen. Helemaal alleen in het regenwoud bij twee trucks in het water en een invallende duisternis. We durven niet meer de anderen achterna te gaan en besluiten een klein ommetje te maken. We hebben echter nog geen paar passen gedaan, of er duiken drie indianen, slechts gehuld in een sportbroekje en elk met een stok in de hand, voor ons op. De oudste van de drie draagt bovendien een geweer. Ik schrik. Dit is natuurlijk hun terrein en daar staan nu twee trucks. Wat kunnen we ze aanbieden als zoenoffer? Ik heb nog precies vier sigaretten. Ze nemen er alledrie een met graagte aan. Ik rook mee. We lijken zo wel een groepje dat de vredespijp rookt. Het blijken uiterst aardige mensen te zijn, een vader met zijn zoons, die ook even een ommetje aan het maken zijn . We schudden handen. De vader spreekt Engels en vertelt dat hij iets verderop werkt aan een natuurproject in samenwerking met mensen van de Landbouwhogeschool Wageningen. Dat klinkt vertrouwd.
Dan pas ontdek ik het kleine varkensachtige beestje dat ze bij zich hebben . Het is niet veel groter dan een kat en staart stilletjes naar de grond. Het heeft lichtbruin ruig haar en aan beide zijden van zijn bek steekt een grote witte tand naar buiten. 'A whitelippecari?', vraag ik op goed geluk. Ik spreek het geloof ik niet goed uit, maar ze weten wat ik bedoel. Het is er inderdaad een. Een dot van een beestje, maar ze zullen hem niet lang meer kunnen houden, want volwassen exemplaren kunnen gevaarlijk worden. Witlippecari´s leven in kudden, die op hun trektochten alles en iedereen aanvallen, vertelt de vader. Ik vraag waarom hij zijn geweer bij zich heeft . O, voor de zekerheid. Er zijn hier ook jaguars en dan voel je je toch wat veiliger. Hij wijst met zijn stok naar een plek in het witte zand vlak achter mij. Duidelijk is daar de pootafdruk van een groot beest te zien. Van een jaguar dus. En wij hadden nog wel overwogen om hier in ons tentje te gaan slapen! Wel, volgens de indiaanse man kan dat ook best. Volgens hem vallen ze alleen aan als ze bedreigd worden. Ja, ik heb meer van die verhalen gehoord: niet wegrennen, blijven staan en je breed maken. En hem dan rustig laten passeren, terwijl zijn grote snorharen langs je benen kriebelen.
De vrachtwagen in de plas lijkt opeens een veilige haven. Het drietal neemt afscheid en verdwijnt in het donker. De anderen zijn inmiddels teruggekomen en gezamenlijk leggen wij ons te slapen in de truck.

Een dag aan de Essequibo
De volgende ochtend, als we net wakker zijn, komt er een kleine 4WD-Suzuki aan. Nog slaperig kijken we allemaal hoe deze de modderpoel neemt. Hij blijft ook steken. Nu staan er drie wagens in het water, die gezamenlijk de doorgang blokkeren. Rustig stapt de nieuwkomer in het inmiddels met een laag olie bedekte water, dat tot aan zijn ochtendfrisse sportbroekje reikt. De auto blijkt voorzien van een trekkabel aan de voorbumper. Die wordt vastgemaakt aan een boom. Met een apart motortje trekt de auto zichzelf aan de haren uit het moeras. De volgende poel neemt het kleintje met gemak, terwijl de wielen geheel onder water verdwijnen. Jaloers kijken we hem na.
Voor ons is het twee nachten en een dag na vertrek uit Georgetown, nog steeds niet duidelijk wat er ondernomen wordt om de trucks uit de modder te krijgen. Er schijnen nieuwe koppelingsplaten onderweg te zijn. We mogen wel heel erg van geluk spreken dat er even verderop in de hut waar de anderen de vorige avond al geweest zijn, eten en drinken te krijgen is. We verdenken de eigenaar, meneer Martin ervan, zelf de poelen uit te graven, want hij verdient aardig aan gestrande reizigers. Dat laatste vertelt hij zelf met enige trots. Kurupukari heet het hier, een naam die ik terugvind op mijn oude kaart als halteplaats langs een cattle trail. Dan moet de Essequibo hier vlakbij zijn. Dat klopt. Meneer Martin heeft hier met vrouw en dochter een eigendom dat loopt tot in de rivier. We mogen daar gaan zwemmen. Zijn er dan geen piranha’s en sidderalen?, vraag ik. Jawel, die zijn er, maar er is nog nooit iets gebeurd. Bovendien zijn de schokken van de sidderaal gezond, zegt meneer Martin. Sommige zieke mensen worden er beter van.

Shocktherapie
Als er tegen de avond nog steeds geen nieuwe onderdelen voor de trucks gekomen zijn, biedt meneer Martin ons beiden aan in de grote hut te overnachten die achter op het erf staat. Hij heeft nog wel twee hangmatten. We eten maniok, pompoen en zoutvlees . ’s Nachts regent het en het is behoorlijk fris in de open hut. Ik sla m’n hangmat dicht om me heen, maar de wind giert eronderdoor. Die nacht zou er door iedereen, behalve door ons tweeën, hard gewerkt worden aan het herstel van de ene truck en het lostrekken van de andere. Luid toeterend worden de wagens de volgende ochtend geparkeerd bij meneer Martin. Er is opeens een grote haast. De chauffeurs willen geen tijd nemen voor een ontbijt en we moeten direct weg. Niet lang daarna wordt ons duidelijk waarom. De naam op de truckdeur had voor ons een teken moeten zijn: E. and R. Lall.

De gebroeders Lall
We komen er al snel achter dat er die nacht flink gedronken is. Ze hebben de hele biervoorraad van meneer Martin opgedronken en nu moet er snel een nieuwe voorraad aangeschaft worden. Dreadlock-Michael die geen druppel drinkt, zegt ons dat hem dat grote zorgen baart, vooral omdat de chauffeurs behoorlijk meedrinken. Die lijken nu zelfs de smaak pas flink te pakken gekregen te hebben. Dat merken we gauw genoeg.
We verwachten dat de pont de Essequibo recht over zal steken. Maar het enorme veer, met alleen de twee trucks en onze bemanning en passagiers, zet koers naar een piepklein eiland, dat hoog uit het water oprijst. Het veer legt aan en iedereen springt van boord. Wij gaan mee. Na een korte steile klim ligt daar, verscholen tussen de palmen, een grote hut, waar bier en rum verkocht wordt. Bijna iedereen neemt pils, de enige Braziliaan in ons gezelschap koopt een paar flessen rum, voor de prijs van een pilsje.
Aan de overkant is een groot natuurpark. Rijdend door dit schitterend stuk regenwoud, begint onze chauffeur capriolen uit te halen: hij snijdt bochten af via een parkeerplaats, zwabbert over de weg, rijdt bijna in de zachte berm en zo meer. Er zijn op dit stuk vele smalle, houten bruggen. Opeens stoppen we nogal abrupt. Consternatie: een houten brug hangt scheef. Een paar palen eronder zijn weggezakt en vooral de grote truck zou wel eens kunnen kantelen. Alle passagiers stappen uit en lopen de brug over om aan de andere kant te bekijken hoe dit opgelost zal worden. Om ons heen begint een oorverdovend en angstaanjagend gebrul van apen. Het klinkt alsof er een groot onheil op komst is. De jongetjes sleutelen weer wat aan de grote wagen, terwijl de chauffeurs zich moed in drinken. En dan moet het maar gebeuren. Een korte aanloop en de grote truck raast als eerste over de brug. Het gaat goed. Ook onze lichtere truck komt er overheen. De opluchting is groot.
Als het oerwoud overgaat in een savannelandschap, gaat onze chauffeur almaar woester rijden. De weg bestaat hier weer uit wit zand, dat de truck binnenstuift. Door het onbeheerste rijden van onze chauffeur dreigen de jongens die achterop de lading staan, van de truck geslingerd te worden. Ze hebben veel doorstaan, maar nu duiken ze een voor een naar binnen. Ook zij vinden het niet leuk meer. Onze chauffeur gaat nu zo af en toe van het gebaande pad af en naast de andere truck rijden. Ook probeert hij de andere in te halen. Michael zegt bedrukt dat er vorige week nog een truck omgeslagen is. Het wordt stil achterin. Als de truck omslaat krijg je ook alle lading over je heen.
We scheuren in de schemer het op een kale hoogvlakte gelegen indianendorp Annai binnen. Met veel lawaai worden de trucks midden op de dorpsbrink geparkeerd. Dit is gekkenwerk. We zouden hier kunnen blijven. Er is een soort pension en een landingsbaantje, weten we uit het Handbook. Misschien kunnen we morgen naar Lethem vliegen.
Er volgt koortsachtig beraad met de andere passagiers onder een dak van palmbladeren, de gemeenschapsruimte van het dorp, terwijl de chauffeurs er nog eentje nemen in de dorpsbar. Piet stelt een passagiersstaking voor en dreigen met inschakeling van de politie. Dat laatste wordt niet serieus genomen. De chauffeurs zullen er totaal niet van onder de indruk zijn. Een staking wordt uiteindelijk ook niet zinvol gevonden, want de chauffeurs hebben hun geld al. Mijn voorstel om de chauffeurs een paar uur te laten slapen, ontmoet meer bijval. Het is weliswaar donker, en we zijn nu al drie dagen onderweg, maar iedereen wil veilig in Lethem aankomen. Misschien kan er iemand anders rijden. Michael en Piet nemen de chauffeurs onderhanden. Maar ze luisteren niet en worden zelfs kwaad. Gaan jullie maar met het vliegtuig, is hun repliek. Piet wordt ook kwaad . Hij klimt de truck in en gooit al onze spullen eruit. In een mum van tijd liggen plastic zakken (see, buy and fly), kleren, waterflessen en zo meer op een hoop, midden op de dorpsbrink. De bevolking kijkt verwonderd toe.
De andere passagiers besluiten met de grote vrachtwagen mee te gaan. Zij hebben geen geld voor het vliegtuig. De chauffeur van de grote truck is minder dronken, denken ze. Een aantal mensen probeert ons over te halen ook met de grote vrachtwagen mee te gaan. De Braziliaan smeekt ons zelfs. Er is toch niets aan de hand? Nee, wij blijven hier. Ik loop even naar de dorps-wc , een houten hokje achter de huizen. Mijn besluit staat vast. Morgen zien we wel weer verder. Terugwandelend zie ik dat Michael en Piet onze spullen weer in de truck aan het laden zijn. Wat nu? Piet zegt dat de trucks bijna weggaan en dat de eigenaresse van de bar hem overgehaald heeft om mee te gaan. Ze heeft gezegd dat er nauwelijks vliegtuigen naar Lethem gaan, er geen telefoon in het dorp is en andere trucks hier misschien ook niet binnen een aantal dagen langs zullen komen. Ik ben het er niet mee eens, maar er is niets meer aan te doen. Dan maar de grote truck. Geen dak, terwijl het al zachtjes begint te regenen, een laag olie op de vloer, weinig om je vast te houden en alleen harde dingen om op te zitten. Ik trek m'n windjack aan – Piet kan het zijne in de haast niet vinden – en we klimmen in de truck. Het is nog ongeveer 100 km. Michael gaat op het laatste moment naast de chauffeur van onze vorige truck zitten en zal proberen hem plaats te laten maken voor een andere chauffeur. Ongeveer halverwege de rit zien we dat het hem gelukt is: er zit iemand anders achter het stuur.

De chauffeur van de grote truck rijdt toch ook behoorlijk woest en het is echt fris. Bij ons in de laadbak zitten twee even buiten Annai opgepikte lifters te rillen. Ze hebben kleine handdoeken over hun dunne overhemden geslagen.
De reis duurt vervelend lang. Dan zien we huizen. Het lijkt weer een indianendorp. Met gierende remmen en loeiende motor stopt onze truck voor een huis. Een vrouw met lang zwart haar opent de deur. Onze chauffeur springt uit z’n cabine en begint in het licht van de koplampen de vrouw ongegeneerd te zoenen en te strelen. De lifters springen uit de laadbak en verdwijnen in het donker. Omdat iedereen in de loop van de rit toch weer naar de veel comfortabeler andere truck is verhuisd, zitten we opeens maar met z’n tweeën in de grote bak. We kijken gegeneerd naar het gevoos en worden ongeduldig. Laten we weer gaan rijden, het is al over tweeën. ‘Komen jullie er niet uit?', vraagt de stem van Michael vanuit het donker. ‘Waarom?‘ ‘Dit is de grens, dit is Lethem.’

terug naar 'Zuid-Amerika'
terug naar 'Reportages'